Verzet of niet? Stichting 1940-1945 en discussies rondom aanvragen voor de Wet Buitengewoon Pensioen 1947-2001

Twee jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog kwam de Wet buitengewoon pensioen tot stand. Verzetsdeelnemers hebben volgens deze wet recht op buitengewoon pensioen wanneer zij door fysieke of mentale problemen, die verband houden met hun verzetsactiviteiten, beperkt zijn in hun functioneren. Nabestaanden van overleden verzetsstrijders kunnen eveneens aanspraak maken op een pensioen.

De al in de oorlog opgerichte Stichting 1940-1945 bekommerde zich van meet af aan om de zorg van verzetsmensen en hun nabestaanden. De Stichting kreeg in 1947 ook de wettelijke opdracht te adviseren over de vraag of iemand als deelnemer aan het verzet kan worden aanvaard. Voor alle aanvragen van voormalig verzetsmensen of hun nabestaanden, moest de Stichting de vraag beantwoorden of iemand tijdens de oorlog daadwerkelijk verzet heeft gepleegd. Ook de achtergrond van de verzetsdeelnemer en de intentie waarmee hij of zij het verzet had gepleegd werden soms minstens zo belangrijk geacht.

Sinds 1947 hebben verschillende generaties de vraag ‘Verzet of niet?’ naar eer en geweten per aanvraag beoordeeld. Toch konden de antwoorden soms uiteenlopen. Het rapport Verzet of niet? brengt de afwegingen en discussies rondom die vraag in beeld aan de hand van drie casussen. Ook laat het rapport zien hoe ingewikkeld het is om achteraf een beeld te vormen en te oordelen over verzet dat tijdens de oorlog heeft plaatsgevonden.

Download hier het rapport.