De verbeelding van het onvoorstelbare: Holocaust en literatuur van Primo Levi tot Arnon Grunberg

13 juli 2020

75 Jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog lijkt de belangstelling voor literatuur over de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust eerder toe dan af te nemen. Maar hoe bepalen we eigenlijk wat een boek tot ‘oorlogsboek’ maakt? Wanneer geldt een boek als literair, en wat is dan oorlogsliteratuur? Een korte beschouwing van twee Holocaustboeken die ieder op hun eigen manier vorm geven aan het onvoorstelbare.

In ’t Manco (La Disparition), een roman van Franse schrijver Georges Perec uit 1969, heeft hoofdpersoon Anton Vocalis het gevoel dat er iets mist in zijn leven. Halverwege de roman verdwijnt hij spoorloos, waarna zijn familieleden hem proberen te zoeken. Het bijzondere van dit boek is niet zozeer het plot, maar de vorm waarin het verhaal wordt verteld. Georges Perec (1936-1982) was onderdeel van de Oulipo, een groep Franstalige auteurs die zichzelf allerlei vormelijke beperkingen oplegde met het idee daardoor vrijer te kunnen schrijven. In ’t Manco is die beperking maar al te duidelijk: in de hele roman komt de letter E niet één keer voor. Ook ontbreekt het vijfde hoofdstuk, aangezien de E de vijfde letter in het alfabet is. 

De klinkerbeperking heeft een duidelijke invloed op de inhoud en dicteert waarover wel of niet kan worden gesproken: zo ontbreken woorden als het Franse ‘elle’ (zij) en ‘mère’ (moeder). De ontbrekende letter E lijkt zo een verwijzing naar perecs moeder, die is gedeporteerd naar Auschwitz en daar vermoedelijk in 1943 is vermoord, toen Perec nog klein was. Ook ‘eux’ (hen) komt niet voor in de roman, wat doet vermoeden dat er nog veel meer mensen verdwenen zijn over wie de hoofdpersoon niet kan spreken. Zijn Joodse familie, of wellicht zelfs het gehele Joodse volk?

Foto: Magnum Photos/HH

Het hele artikel van Sophie van den Bergh is te vinden in het nummer Oorlog en literatuur (2020:2). Verder lezen? Kijk hier hoe je je kunt abonneren op Impact Magazine.