Naoorlogse generaties

Het Aanspreekpunt Naoorlogse Generaties is er zowel voor (klein)kinderen die na de oorlog zijn geboren als voor kinderen die vlak voor of tijdens de oorlog ter wereld zijn gekomen. Onafhankelijk van wat de ouders of grootouders hebben gedaan of is overkomen tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Doorwerking oorlog
Oorlogservaringen van ouders kunnen een enorme impact hebben op hun kinderen, ook als deze de oorlog zelf niet hebben meegemaakt. Ook in latere generaties kunnen oorlogservaringen nog doorwerken. Ouders zijn vaak, bewust of onbewust, zo veel bezig met hun eigen leed dat ze de behoeften van hun kinderen uit het oog verliezen en hen bijvoorbeeld niet de aandacht en liefde kunnen geven die ze nodig hebben.

Kinderen voelen zich doorgaans sterk verbonden met hun ouders en proberen hen te ontzien: hun ouders hebben immers in de oorlog al zoveel meegemaakt. Het komt vaak voor dat kinderen de rol van hun ouders overnemen door bijvoorbeeld voor hun broertjes en zusjes te zorgen. Door hun gerichtheid op de ander leren zij niet voor zichzelf op te komen en rekening te houden met hun eigen behoeften en gevoelens. Dit maakt het vaak moeilijk op latere leeftijd een eigen identiteit te ontwikkelen en vertrouwen te hebben in henzelf.

Voor emoties als teleurstelling, boosheid, pijn en ontevredenheid is bij kinderen van WOII-getroffenen vaak geen plaats. Vergeleken bij wat de ouder heeft meegemaakt valt het leed van het kind immers altijd in het niet. Flink zijn en niet zeuren is doorgaans het motto. Boosheid en agressie van het kind kunnen bovendien erg confronterend zijn voor de ouder die oorlogsgeweld heeft meegemaakt en zijn daarom vaak taboe. Zodoende hebben veel kinderen van oorlogsgetroffenen geleerd hun gevoelens te onderdrukken. Het voelen van emoties wordt dan omgeven door sterke gevoelens van schuld en schaamte. 

De impact van de oorlog kan zich ook uiten in een brandende nieuwsgierigheid naar de familiegeschiedenis en de Tweede Wereldoorlog. Veel jongere generaties familieleden van WOII-getroffenen willen graag weten wat hun voorouders is overkomen in de jaren 1940-1949. Het verleden is voor hen minder emotioneel beladen, omdat de oorlog verder van hen af staat. Zij gaan op zoek op internet, bezoeken archieven en interviewen hun grootouders. Soms alleen voor zichzelf, soms met het doel een boek, tentoonstelling, documentaire of podcast te maken.  

Verschillende achtergronden
Hoewel veel van de bovengenoemde kenmerken bij alle verschillende categorieën voorkomen, kan de achtergrond van de ervaringen van de ouders of grootouders soms toch verschil maken in de problematiek.

Burgeroorlogsgetroffenen zijn plotseling en onverwachts getraumatiseerd. Bij mensen uit het voormalige Nederlands-Indië komt daar nog bij dat er sprake is geweest van een reeks van ingrijpende ervaringen: de Japanse bezetting werd gevolgd door de Bersiap en de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog, waarna de veelal gedwongen migratie naar Nederland volgde. De naoorlogse generatie met Indische achtergrond heeft daarnaast ook te maken met etnische en cultuurverschillen. Dit stelt een bijzondere extra opgave aan de identiteitsontwikkeling. Veel personen uit de Indische naoorlogse generaties voelen zich in Nederland ‘anders’, hoewel ze er toch geboren en getogen zijn.

Joodse overlevenden kampen vaak met massale rouw doordat hele families zijn uitgemoord. Schuldgevoel over het eigen overleven legt niet alleen druk op de tweede generatie, maar ook op de generaties daarna. De ervaringen van de Tweede Wereldoorlog hebben voor deze groep, een dreigende, actuele lading, omdat antisemitisme steeds weer de kop op steekt.

Voor het leed van de Roma & Sinti was lange tijd geen aandacht. Zij droegen hun verdriet in stilte mee en gaven dit woordloos door aan de volgende generaties.

Verzetsdeelnemers voelen zich vaak geen slachtoffer. Zij hebben actief voor het verzet gekozen, maar wel jarenlang blootgestaan aan geweldsdreiging of gevangenschap. In gezinnen van verzetsdeelnemers wordt de strijd uit de oorlogsjaren soms voortgezet. Ouders eisen dezelfde flinkheid en stellen hoge eisen waar hun kinderen niet altijd aan kunnen voldoen.

Voor kinderen van (sympathisanten van) de Duitse bezetter is de situatie ingewikkeld. Erkenning voor hun leed lag in het verleden veel moeilijker dan bij andere groepen. Vaak heerste in deze gezinnen enorme schaamte en werd over de politieke keuze van de ouders en de gevolgen daarvan gezwegen. De kinderen zijn vaak gediscrimineerd en hebben geleerd zich zo onopvallend mogelijk te gedragen en niet voor zichzelf op te komen. Zij mogen vooral niets fout doen, uit angst dat zij meteen vergeleken worden met hun politiek foute ouders. Ook is het voor hen vaak een probleem om onderscheid te maken tussen de ouder als goede ouder en als politiek foute man of vrouw.